Algemene Taalwetenschap
Week 5: Syntaxis: De studie van woordvolgorde en zinsstructuur

heb je op- of aanmerkingen? aarzel niet! reageer nu!e-mail je reactie op dit college! <vderooij@pscw.uva.nl>


Constituenten en de structuur van zinnen

Oppervlakte- en dieptestructuur

Semantische en syntactische rollen

Aanbevolen literatuur bij dit college


Constituenten en de structuur van zinnen

In de voorgaande colleges hebben we ons beziggehouden met de kleinste bouwstenen van een taal: fonemen en morfemen. In dit college gaan we kijken naar grotere taaleenheden: zinnen. De lineaire structuur of woordvolgorde en de hierarchische structuur van zinnen vormen het onderzoeksterrein van de syntaxis. Iedere normale bevestigende zin bestaat uit twee delen: een referentiële uitdrukking (referring expression) die verwijst naar een bepaalde persoon of zaak die we een entiteit (entity) noemen en een predicerende uitdrukking (predication) die bepaalde eigenschappen toekent aan een entiteit (Appel et al. 1992:101; Finegan 1999:142). In (1a) is 'hij' de referentiële uitdrukking en 'rent' is de predicerende uitdrukking. Referentiële en predicerende uitdrukkingen zijn de hoofdbouwstenen van de zin. Dit wordt duidelijk als we kijken naar de zinnen (1a-c).

(1a). [Hij] [slaapt]
(1b). [De man] [slaapt]
(1c). [De dikke man] [slaapt]

Je ziet dat 'hij', de referentiële uitdrukking in (1a), vervangen kan worden door twee woorden 'de man'. Die twee woorden 'gedragen' zich als een eenheid. We kunnen ze niet omwisselen of één van beide op een andere plaats in de zin zetten. 'De man' op zijn beurt kunnen we weer vervangen door 'de dikke man' als in (1c). Ook 'de dikke man' gedraagt zich weer als een eenheid. We zien dit aan de volgende ongrammaticale zinnen waarin de volgorde van de woorden 'de dikke man' is veranderd ((3a-d)) of waarin één van de woorden is verplaatst (*geeft aan dat de eropvolgende zin ongrammaticaal is):

*(2a). De man dikke slaapt
*(2b). Dikke man de slaapt
*(2c). Man de dikke slaapt
*(2d). Man dikke de slaapt

*(3a). De man slaapt dikke
*(3b). De dikke slaapt man
*(3c). Dikke man slaapt de

Dat 'de dikke man' als eenheid waarvan de lineaire volgorde vastligt fungeert, wordt ook duidelijk aangetoond wanneer we (1c) vragend maken:

(4) Slaapt [de dikke man]?

Hier zie je dat, ook al is de woordvolgorde van de zin veranderd, 'de dikke man' toch bij elkaar blijft. Het is duidelijk dat 'de dikke man' een syntactische eenheid is. We noemen zo'n eenheid een constituent. In dit geval gaat het om een nominale consituent (noun phrase) met als kern een zelfstandig naamwoord (noun). Referentiële uitdrukkingen bestaan altijd uit een noun phrase of, afgekort, een NP. Maar NP's kunnen ook deelconstituenten zijn van predicerende uitdrukkingen.

De predicerende uitdrukking van een zin wordt beschouwd als één constituent, VP genoemd, wat een afkorting is voor verb phrase (verbale constituent). Samen met een NP die als referentiële uitdrukking fungert vormt een VP een zin, vaak afgekort tot S (van 'sentence') in de formele notatie van zinsstructuren. Ik zal hier in notaties van zinsstructuren S alleen noteren als dat van belang is voor wat ik duidelijk wil maken. NP's of VP's kunnen bestaan uit één woord: zo is in (1a) 'slaapt' een VP en het persoonlijk voornaamwoord 'hij' een NP. Eénwoord NP's kunnen ook bestaan uit een eigen naam of een 'kaal' zelfstandig naamwoord zoals geïllustreerd in (5) waar het kale zelfstandige naamwoord 'boter' deel is van een VP.

(5). [S [NP Jan] [VP haat [NP boter]]]

Meestal echter is de structuur van NP's en VP's een stuk uitgebreider. We hebben al gezien in (1a-c) dat een NP 'uitbreidbaar' is. We kunnen (1c) zelfs weer verder uitbreiden als in (6a) met een deelconstituent die bestaat uit het voorzetsel of prepositie (preposition) 'met' gevolgd door de NP 'een drankneus'. We noemen zo'n constituent een prepositionele constituent (prepositional phrase). In (6b) gaan we weer een stapje verder met de toevoeging van een betrekkelijke bijzin, in (6c) wordt de NP 'mijn raam' in die bijzin weer uitgebreid met de PP 'op de eerste verdieping'. In (6d) tenslotte wordt de NP 'de eerste verdieping' uitgebreid met de PP 'van het ASC'. De haakjesnotatie die hier gebruikt wordt om de constituenten en hun onderlinge relaties weer te geven wordt labeled bracketting genoemd omdat rechts van het haakje dat het begin van een constituent aangeeft de naam of label van dat constituent in subscript gegeven wordt. Het nadeel van labeled bracketting is dat bij ingewikkelder structuren zoals in (6b-d) het overzicht zoek raakt. Daarom heb ik hier het label van de constituent herhaald links voor het haakje dat die constituent afsluit.

(6a). [NP De dikke man [PP met [NP een drankneus NP] PP] NP] [slaapt]
(6b). [NP De dikke man [PP met [NP een drankneus NP] PP] [S die [NP ik NP] [VP zie [PP vanuit [NP mijn raam NP] PP] VP] S] NP] [slaapt]
(6c). [NP De dikke man [PP met [NP een drankneus NP] PP] [S die [NP ik NP] [VP zie [PP vanuit [NP mijn raam [PP op [NP de eerste verdieping NP] PP] NP] PP] VP] S] NP] [slaapt]
(6d). [NP De dikke man [PP met [NP een drankneus NP] PP] [S die [NP ik NP] [VP zie [PP vanuit [NP mijn raam [PP op [NP de eerste verdieping [PP van [NP het ASC NP] PP] NP] PP] NP] PP] VP] S] NP] [slaapt]

In principe kunnen we NP's (en PP's) op deze manier blijven uitbreiden omdat een PP als deel van een NP op zijn beurt weer een NP bevat die weer een PP kan bevatten enzovoorts. We noemen dit verschijnsel recursiviteit: binnen een NP of PP kan op een lager niveau diezelfde constituent opnieuw ingebed worden. In theorie kan dit eindeloos doorgaan maar in de praktijk zijn constituenten met meer dan twee of drie inbeddingen zeldzaam omdat deze ingewikkelde structuren al snel te veel moeite kosten om de interpreteren. Ook de structuur van VP's is recursief uitbreidbaar. We zien dat in de volgende zinnen.

(7a). [Hij] [VP rent]
(7b). [Hij] [VP rent [PP door [NP de sneeuw NP] PP] VP]
(7c). [Hij] [VP rent [PP door [NP de sneeuw [S die [VP [PP in [NP dikke vlokken NP] PP] neervaltVP] S] NP] PP] VP]
(7d). [Hij] [VP rent [PP door [NP de sneeuw [S die [VP [PP in [NP dikke vlokken NP] PP] neervalt [PP op [NP het erf NP] PP] VP] S] NP] PP] VP]
(7e). [Hij] [VP rent [PP door [NP de sneeuw [S die [VP [PP in [NP dikke vlokken NP] PP] neervalt [PP op [NP het erf [PP van [NP het huis NP] PP] NP] PP] VP] S] NP] PP] VP]
(7f). [Hij] [VP rent [PP door [NP de sneeuw [S die [VP [PP in [NP dikke vlokken NP] PP] neervalt [PP op [NP het erf [PP van [NP het huis [PP langs [NP de weg NP] PP] NP] PP] NP] PP] VP] S] NP] PP] VP]
(7f). [Hij] [VP rent [PP door [NP de sneeuw [S die [VP [PP in [NP dikke vlokken NP] PP] neervalt [PP op [NP het erf [PP van [NP het huis [PP langs [NP de weg [PP naar [NP het meer NP] PP]NP] PP] NP] PP] NP] PP] VP] S] NP] PP] VP]

In (7b) wordt de VP uitgebreid met een PP ('door de sneeuw'). In (7c) wordt de NP ('de sneeuw') in deze PP uitgebreid met een relatieve bijzin en in (7d) wordt de VP ('in dikke vlokken neervalt') uit deze bijzin uitgebreid met een PP ('op het erf'). In de zinnen (7e-f) wordt telkens een NP uitgebreid met een PP.

De structuur van constituenten kan worden beschreven met herschrijfregels (phrase structure rules). Enigszins vereenvoudigde, niet-uitputtende, herschrijfregels voor Nederlandse VP's, NP's en PP's AP's (Adjectival Phrases/adjectivale constituenten) zien er uit als in (8a-d).

(8a).VP ->(NP)(NP)V
..dat hij..het kindeen verhaalvertelde
..dat hij..een verhaalschreef
..dat hij..huilde
(8b).NP ->(DET)(A)N(PP)(S)
deoudemannenmet baardendie rondslenteren
(8c).PP ->(Bijwoord)P(NP)
onmiddellijknahet stoplicht
..hij ligt..verachter
(8d).AP ->(Bijwoord)A(PP)
..hij is..helemaalgekvan voetbal

Op het waarom van de woordvolgorde in de zinnen in (8a) zal ik verderop nog terugkomen. Kijkend naar de herschrijfregels in (8) zie je dat alle constituenten een verplicht kernelement hebben: V in VP, N in de NP, en P in PP. Dit noemen we de lexicale hoofden (lexical heads) van constituenten. In modernere opvattingen van constituentstructuur en herschrijfregels binnen de Chomskyaanse traditie gaat men ervan uit dat VP, NP, AP, PP alle dezelfde hierarchische, structuur hebben bestaande uit drie nivo's. In (9) is die structuur in de vorm van een boomdiagram weergegeven.


(9). De gelaagde structuur van constituenten

In dit schema kan X staan voor V (Verb), N (Noun), A (Adjective), en P (Preposition). X'' (meestal als aangeduid met XP) en X' noemen we projecties van X, het lexicale hoofd van de constituent. X wordt wel de zero projection genoemd en aangeduid met X0. X'' is de maximal projection (maximale projectie) en X' (dat recursief kan optreden) de intermediate projection. X' noemen we X-bar en X'' X-double bar. Deze opvatting van constituentstructuur staat bekend als X-bar theory (voor een heldere inleiding, zie Haegeman 1991:78-96). Bij (9) horen de volgende herschrijfregels:

(10a).X''/XP->Spec; X'
(10b).X'*->X'; YP
(10c).X'->X; YP

De posities direct onder de hoogste knoop X''/XP in (9) die aangegeven worden met puntjes, geven aan dat op één van die plaatsen een zogenaamde specifier (afgekort Spec) kan staan, zoals ook uitgedrukt in (10a). In (10c) wordt uitgedrukt dat X zich met een complement YP kan verbinden tot X'. (10b) drukt uit dat X' zich kan verbinden met een adjunctie (adjunct), een optionele XP, tot een nieuwe tussenliggende projectie (intermediate projection) X' van het lexicale hoofd X. Het symbool * geeft aan dat er hier sprake kan zijn van recursiviteit (je kunt dus in principe een oneindige reeks van tussenliggende projecties X' krijgen). De punt-komma (;) in (10a-c) geeft aan dat de volgorde van de lementen links en rechts ervan niet gespecificeerd is. Die volgorde is taalspecifiek en niet universeel. Aan de hand van het schema in (9) en de regels in (10) kunnen we de structuur van VP's, NP's, AP's en PP's in boomdiagrammen weergeven. Hier zijn een paar voorbeelden van PP's.

(11a).(11b).(11c).

In (11a) zien we een compleet 'ingevulde' structuur met een specifier (het adverbium of bijwoord 'onmiddelijk') een prepositie ('na') en een NP ('het stoplicht'). In (11b) is de specifierpositie niet gevuld, terwijl in (11c) alleen het lexicale hoofd ('achter') aanwezig is.


Oppervlakte- en dieptestructuur

Een typerend kenmerk van bijna alle stromingen binnen de moderne theoretische taalkunde is het uitgangspunt dat concrete taaluitingen afgeleid zijn van onderliggende structuren. We hebben dit al eerder gezien in de fonologie en morfologie, waar onderliggende fonemen en morfemen op verschillende manieren gerealiseerd kunnen worden in de vorm van respectievelijk allofonen en allomorfen. Ook in de syntaxis wordt algemeen aangenomen dat concrete taaluitingen de veruitwendiging zijn van onderliggende structuren die bepaalde bewerkingen kunnen ondergaan. De meeste taalkundigen die werken binnen de Chomskyaanse traditie nemen vier nivo's aan:

In schematische vorm ziet dit model er als volgt uit:

(12).

Het werken met onderliggende structuren die transformaties in de vorm van verplaatsingen kunnen ondergaan komt vooral voort uit het verlangen om variatie die we tegenkomen in concrete taaluitingen te beschrijven en te verklaren. Welke voordelen een syntactische theorie biedt die werkt met onderliggende structuren kan duidelijk worden gemaakt aan de hand van een bespreking van de woordvolgorde in het Nederlands.

Als we naar een Nederlandse zin als in (13a) kijken, zouden we daaruit kunnen concluderen dat de Nederlandse woordvolgorde Subject (Onderwerp) - (geflecteerd) Werkwoord - Object (lijdend voorwerp) is, kortweg SVO (Subject - Object - Verb). Kijken we verder naar andere Nederlandse zinnen als (13b-d) dan zien we echter ook andere woordvolgordes.

(13a). [S De minister] [V schoffeerde] [Adv gisteren] [O zijn ambtenaten]
(13b). [Adv Gisteren] [V schoffeerde] [S de minister] [O zijn ambtenaren]
(13c). [WH-O Wie] [V schoffeerde] [S de minister] [Adv gisteren]?
(13d). [V Schoffeerde] [S de minister] [Adv gisteren] [O zijn ambtenaren]?
(13e). (Een welingelichte bron verzekerde me) dat [S de minister] [Adv gisteren] [O zijn ambtenaren] [V schoffeerde]

In de theoretische taalkunde hecht men groot belang aan analyses die zo simpel mogelijk zijn. Als we zoals in het geval van het Nederlands te maken hebben met verschillende woordvolgordes, zal men automatisch proberen uit te zoeken of die verschillende volgordes het resultaat zijn van dezelfde processen en of er sprake is van een onderliggende volgorde waaruit de verschillende volgordes die verschijnen in concrete taaluitingen voortkomen. De vraag is dan welke onderliggende volgorde we moeten aannemen voor het Nederlands. Onderzoek gedurende de afgelopen decennia heeft ertoe geleid dat men tegenwoordig algemeen een onderliggende SOV volgorde aanneemt voor het Nederlands (de volgorde in de bijzin in 13e). De SVO, VSO en OVS volgordes die op het nivo van PF verschijnen worden verklaard door aan te nemen dat de basis SOV volgorde gewijzigd wordt door verplaatsing van elementen. Hoe gaat dit precies in zijn werk?

Laten we eerst kijken naar de volgorde in de zinnen (13a-c). In de hoofdzinnen (13a) en (13b) mag dan sprake zijn van twee verschillende volgordes maar we kunnen wel de generalisatie maken dat in hoofdzinnen als (13a) en (13b) het geflecteerde werkwoord in tweede positie verschijnt. In (13a) is de eerste positie gevuld door het subject, terwijl in (13b) de eerste positie is gevuld met een adverbium ('gisteren'). Ook in vragende zinnen die beginnen met een vragend voornaamwoord (we noemen dit WH-questions) zoals (13c), en waar dus de eerste positie van de zin al gevuld is, komt het werkwoord in de tweede positie. Dit verschijnsel waarbij het geflecteerde of finiete werkwoord in hoofzinnen en WH-vraagzinnen in tweede positie geplaatst wordt, staat in de literatuur bekend als Verb-second.

Het zal duidelijk zijn dat, als we uitgaan van een onderliggende SOV-volgorde, er tijdens de afleiding van de zinnen (13a-c) één of meer verplaatsingen uitgevoerd moeten zijn. Natuurlijk kan een element alleen verplaatst worden van de ene naar de andere positie in de zin verplaatst worden als er een 'vrije' of 'lege' positie beschikbaar is voor het te verplaatsen element. Welke posities dat zijn wordt duidelijk als we kijken naar de structuur in (14) waarin we twee nog niet eerder genoemde non-lexical phrases, waarvan het hoofd dus niet V, N, A, of P is, tegenkomen: IP (Inflection Phrase) en CP (Complementizer Phrase). IP en CP hebben dezelfde gelaagde X-bar structuur als VP, NP, AP, en PP weergegeven in (9) en (10). IP en CP zijn de maximale projecties van niet-lexicale, zogenaamde functionele hoofden. Het hoofd van IP is de inflectie op het werkwoord, terwijl het hoofd van CP een zogenaamde complementizer is, een element dat een ondergeschikte complement-zin inleidt (Nederlandse complementizers zijn de voegwoorden 'dat', 'of', en betrekkelijke voornaamwoorden)

(14)

Je ziet dat de specifier-positie van IP ingenomen wordt door de NP die het subject van de zin is. De positie van de complementizer en de positie van de specifier van CP blijven echter leeg in de onderliggende structuur en bieden dus een zogenaamde landing site voor te verplaatsen elementen. Ik moet wel vermelden dat de structuur zoals hier weergegeven een aantal zaken onder de mat veegt waarover nogal wat discussie is. Het betreft vooral het nivo waarop de adverbiale consituent 'gisteren' is ingevoegd (je zou kunnen argumenteren dat deze een nivo lager onder VP thuishoort) en de plaats van het werkwoord 'schoffeer' ten opzichte van het flectiesuffix '-de'. Ik ga op deze problemen niet verder in (het laatste probleem wordt uitvoerig besproken, vooral aan de hand van Scandinavische talen, op Beatrice Santorini's web-presentatie bij haar syntaxis-college aan de University of Pennsylvania). Vrij algemeen wordt aangenomen dat 'schoffeer' (om redenen waar ik -alweer- niet verder op in zal gaan) een verplaatsing ondergaat van V naar I en daarmee 'versmelt'. Het finiete werkwoord 'schoffeerde' wordt dan in hoofzinnen van daaruit opnieuw verplaatst naar de complementizer-positie. Een verplaatst element laat een spoor of trace achter: dit wordt in haakjesnotatie en boomstructuren aangegeven door het spoor (of sporen bij opeenvolgende verplaatsingen) en het verplaatste element te co-indexeren met behulp van subscripten (hier: ti, waar t een afkorting is van 'trace').

Om de volgorde in (13a) te krijgen moeten er twee verplaatsingen plaatsvinden. De subject-NP 'de minister' wordt vanuit de specifier-positie van IP verplaatst naar de specifier-positie van CP en het finiete werkwoord 'schoffeerde' gaat van I naar C. Dit is weergegeven in (15).

(15)

Om (13b) te krijgen zijn de volgende verplaatsingen nodig: het werkwoord gaat weer van I naar C en het bijwoord 'gisteren' gaat naar de specifier positie van CP:

(16)

De volgorde in (13c) komt tot stand door het vragend voornaamwoord uit de Object-NP positie binnen VP te verplaatsen naar de Spec,CP positie:

(17)

Om te volgorde van de ja/nee vraag in (13d) te krijgen is enkel verplaatsing van het werkwoord van I naar C nodig:

(18)

De S(Adv)OV bijwoordzinvolgorde uit (13e) tenslotte is die van de onderliggende structuur gegeven in (14), met dit verschil dat nu natuurlijk de complementizer-positie C gevuld is met de complementizer 'dat':

(19)

Op dit punt gekomen, vraag je je misschien af: "als ik elementen van een zin kan verplaatsen naar naar C en Spec,CP, kan ik dan niet ook een heleboel zinnen maken die absoluut ongrammaticaal zijn?" Het antwoord is 'nee', want verplaatsing is aan een scala van condities onderhevig die het aantal toegestane verplaatsingen sterk inperken. Als je hier meer over wilt weten, raadpleeg dan Haegeman (1991, of de herziene tweede editie uit 1994). Het sterke punt van het generatieve model weergegeven in (12) met zijn theoretische assumpties als verplaatsing en X-bar theory is dat variatie in PF verklaard kan worden door de interactie van een beperkt aantal principes. Je hebt dus een relatief simpel grammaticaal model van taal dat toch in staat is allerlei uiteenlopende verschijnselen te beschrijven en te verklaren.


Semantische en syntactische rollen

In het voorgaande zijn de begrippen 'subject/onderwerp' en 'object/lijdend voorwerp' al enkele malen gevallen. Subject en object zijn syntactische begrippen en volledig te definiëren in termen van de formele relaties binnen de zin. Subject kunnen we definiëren als de NP die in de onderliggende zinsstructuur verschijnt in [Spec;IP] positie, terwijl object de NP is die fungeert als complement bij een transitief (of overgankelijk) werkwoord of bij een prepositie. Als we nu naar de volgende zinnen die hetzelfde proces beschrijven kijken, zien we dat de NP's waarvan de referent of entiteit constant blijft een andere syntactische rol toebedeeld krijgen.

(20a). [SubjectAgens De burgemeester] overhandigde [ObjectPatiens de brandbrief] aan de minister.
(20b). [SubjectPatiens De brandbrief] werd door [ObjectAgens de burgemeester] aan de minister overhandigd

In beide zinnen is de entiteit die de actie van het overhandigen uitvoert 'de burgemeester' en de entiteit die deze actie ondergaat 'de brandbrief'. Beide entiteiten hebben in (20a) en (20b) dezelfde semantische rol: 'de burgemeester' heeft de rol van agens terwijl 'de brandbrief' de rol heeft van patiens. Toch zien we dat in de actieve zin (20a) de agens-NP als subject van de zin verschijnt terwijl in de passieve zin (20b) dezelfde agens-NP als object-complement van een PP wordt opgevoerd. Dit maakt duidelijk dat de syntaxis de mogelijkheid biedt om dezelfde actie of proces op verschillende manieren te coderen. Het passief maken van een zin zoals hier maakt het bijvoorbeeld mogelijk om van een patiens-NP een referentiële uitdrukking te maken die door een predicerende uitdrukking nader wordt gespecificeerd. Met andere woorden: in passieve zinnen neemt de patiens-NP de prominente subject-rol in die een agens-NP heeft in actieve zinnen. De agens-NP in passieve zinnen krijgt een meer perifere status in de informatiestructuur van de zin als deel van een 'door'-bepaling of kan zelfs helemaal weggelaten worden (en dat kan handig zijn als je de agens niet wilt noemen of als je de agens niet kent).

Welke thematische rollen moeten worden toegekend in een zin is afhankelijk van het werkwoord in die zin. Ieder werkwoord behoort tot een bepaalde subcategorie werkwoorden met een eigen rollenspecificatie. Zo zijn er werkwoorden die enkel een agens-rol eisen, zoals 'springen'. Dit soort werkwoorden wordt traditioneeel aangeduid als intransitief of onovergankelijk. Andere werkwoorden, zoals 'slaan', eisen een agens - en een patiens-rol en worden transitieve werkwoorden genoemd. Werkwoorden uit weer een andere categorie eisen een agens, patiens, en een recipiens of benefactief. Een voorbeeld van zo'n werkwoord is 'geven'. In de zinnen (21)-(23) wordt getoond door welke syntactische rollen semantische rollen bij deze werkwoorden uitgedrukt kunnen worden. In (21) zien we een agens ('de jongen') uitgedrukt als een subject en, als optioneel argument, de cause 'blijdschap' dat uitgedrukt wordt als een object-complement bij een prepositie ('van'). In (22) zien we een subject-agens ('het schoolhoofd'), een object-patiens ('de leerling'), en een object-instument, waarbij het object als complement fungeert bij de prepositie 'met'. In (23) zien we een voorbeeld van een recipiens ('de junkie') uitgedrukt als (indirect) object. In (24a-b) zien we dat het benoemen van semantische rollen niet altijd even makkelijk is. Soms is het mogelijk de actie of toestand die door het werkwoord wordt beschreven te zien vanuit meerdere perspectieven. Als we de actie vanuit het perspectief van de junkie bekijken is er sprake van een pakje dat hij ontvangt door toedoen van de dealer. Zo is 'de junkie' recipiens, 'het pakje bruin' patiens, en 'de dealer' agens. Je kunt echter ook een meer afstandelijk perspectief hanteren en het beschreven proces zien als de verplaatsing van een entiteit ('het pakje bruin') van een bepaalde plaats ('de dealer') naar een andere ('de junkie'). In dat geval is 'de junkie' goal (bestemming), 'het pakje bruin' theme (het argument dat een verandering van plaats ondergaat), en 'de dealer' source ('oorsprong').

(21). [SubjectAgens De jongen] sprong van [ObjectCause blijdschap]
(22). [SubjectAgens Het schoolhoofd] sloeg [ObjectPatiens de leerling] met [ObjectInstrument een rietje]
(23). [SubjectAgens De dealer] gaf [ObjectRecipiens de junkie] [ObjectPatiens een pakje bruin]
(24a). [SubjectRecipiens De junkie] kreeg [ObjectPatiens een pakje bruin] van [ObjectAgens de dealer].
(24b). [SubjectGoal De junkie] kreeg [ObjectTheme een pakje bruin] van [ObjectSource de dealer].

Je ziet dat ook andere semantische rollen dan agens, patiens, en recipiens bestaan. Deze zijn vaak optioneel en niet verplicht: het zijn dan zogenaamde perifere argumenten bij het werkwoord. Afhankelijk van theoretische oriëntatie, onderscheiden taalkundigen ongeveer 10 tot 15 verschillende semantische rollen. In het Nederlands gebruiken we meestal de Latijnse of Engelse benaming voor semantische rollen. De semantische rollen die een werkwoord toekent bepalen de valentie van dat werkwoord. Soms wordt de configuratie van semantische rollen bij een bepaald werkwoord ook wel het predikaatschema genoemd. In de Chomskyaanse taalkunde worden semantische rollen thematische of theta-rollen genoemd.

Deze korte sectie over syntactische en semantische rollen laat zien dat er een belangrijke interface is tussen syntaxis en mentale lexicon waar individuele lexicale items of lexemen liggen opgeslagen. Elk werkwoordlexeem bevat informatie over verplichte en optionele argumenten bij dat werkwoord. Het is deze informatie over semantische rollen die in syntactische operaties een cruciale rol speelt bij de totstandkoming van zinsstructuur.


Aanbevolen literatuur bij dit college

Binnen de taalkunde bestaan een heleboel verschillende theoretische benaderingen die zich bezighouden met syntaxis. De Chomskyaanse, generatieve traditie is veruit de meest toonaangevende, maar ook functionele en cognitieve benaderingen zijn belangrijk. De meeste literatuur op het gebied van de syntaxis die het niveau voor beginnelingen ontstijgt is direct al behoorlijk pittig om te lezen en te verwerken. Daarbij is alles wat in druk verschijnt eigenlijk al verouderd op het moment dat je het leest. Juist omdat ontwikkelingen, name in de Chomskyaanse taalkunde, erg snel gaan, is het een goed idee om websites bij syntaxis colleges te bezoeken. Een hele goede is de al genoemde site van Beatrice Santorini.

Droste & Joseph (1991): handig overzicht van de meest vooraanstaande syntactische theorieën

Givón (1984,1990): als je ook eens een andere dan een Chomskyaanse visie op syntaxis wilt, is dit werk erg verfrissend; erg veel aandacht voor hoe de vorm van zinnen samenhangt met de functie(s) ervan

Shopen, ed. (1985a,b): ook aanbevolen door Finegan; twee erg goede verzamelingen van artikelen die geen al te grote voorkennis vereisen; je krijgt door het lezen van deze artikelen een goede indruk van de verschillen en overeenkomsten tussen de talen van de wereld; veel aandacht ook voor Niet-Westerse talen


Verwijzingen

Appel, René, et al. (1992). Inleiding tot de algemene taalwetenschap. Dordrecht: ICG Publications.

Droste, Flip G. and John E. Joseph. (1991). Linguistic Theory and Grammatical Description. Amsterdam: John Benjamins.

Givón, T. (1984). Syntax: A functional-typological introduction (Vol.I). Amsterdam: John Benjamins.

Givón, T. (1990). Syntax: A functional-typological introduction (Vol.II). Amsterdam: John Benjamins.

Haegeman, Liliane. (1991). Introduction to government & binding theory. Oxford: Blackwell.

Haegeman, Liliane. (1994). Introduction to government & binding theory (Second Edition). Oxford: Blackwell.

Shopen, Timothy (ed.). (1985a). Language typology and syntactic description. Volume I: Clause structure. Cambridge: Cambridge University Press.

Shopen, Timothy (ed.). (1985b). Language typology and syntactic description. Volume II: Complex constructions. Cambridge: Cambridge University Press.

terug naar het begin van deze pagina

terug naar de ATW home page


All text and images on these pages (citations and images from other sources excepted)
© Vincent A. de Rooij